Voor Thay, de Meester.

    
Stap voor stap ben ik de  bomen, de aarde, de hemel, de zon.

Zie mij, de stralen, vallen op mij, het gele blad reeds aan de winter overgegeven

Ik kraak in mijn boombast en laat mij, nieuw oud blad los
Ik schiet weg onder mijn voeten en tril van de druk van mij, een voet een poot

Ik hoor hoe ik, het water, kabbelend over mij,
de stenen, mijn lach laat galmen door mij het bos.
Ik, mos, vlei mij over mijn wortels en ik de ent sta naast mij, mijn moeder
wij het bos, de aarde, het water, de lucht, tor, haas, mens, dier

Mijn straal jaagt over mij heen en ik, de straal van de jager
Vervlieg in ons, de wolken die regenen, en wij de druppels spatten ineen uit elkaar.

Wij de blauwe lucht, de grauwe, vuil en schone lucht

wij waaien zachtjes door mijn haren; ik adem mij in en glimlach

Mijn hart, ik, knijp van genot, liefde, verdriet
Ervaar de rijkdom van de leegte, de leegte van het al,
Langzaam verdwijn ik in wij, ons, geheel het zijn
Mijn aderen, ik bloed, ik sap, ik regen, beek.

Ik jij. Ik wij. Ik zij. Jij, zij, hij, het, mij

Ik verblijf in het huidig moment:
Wij hier in het nu wetend:
dit is een prachtig moment

Melané, 1 Oktober 2017